rodekool en witte kool
Woorden die een vaste combinatie vormen, kunnen in bepaalde gevallen aaneengeschreven worden. Maar in welke gevallen?

Een algemene vuistregel is de klemtoonregel. Als elk woord een klemtoon krijgt, zoals in te midden van, dan is de combinatie een woordgroep; we schrijven de woorden dan niet aan elkaar. Krijgt maar één van de woorden een (hoofd)klemtoon, zoals in ademhalen, dan is er sprake van een samenstelling; in dat geval schrijven we het woord wel aaneen.

Hoe meer een woordcombinatie ingeburgerd is, hoe eerder die aan elkaar geschreven zal worden. Pianospelen schrijven we aan elkaar, maar gitaar spelen niet. Rodekool wel, witte kool niet.

Een vaste woordcombinatie uit een andere taal wordt geschreven zoals in de taal van herkomst. Voorbeelden: de facto, en profil, ad fundum, ad hoc, au bain marie, face-à-face, demi-monde, dos-à-dos, enfant terrible, in Frage, in memoriam, passe-partout, sur place.

Een vaste woordcombinatie die met een soortaanduiding begint, wordt aaneengeschreven. Voorbeelden: allesreiniger, donkerblauw, minimuminkomen, minstbedeelden, sneltrein, directiecursussen, groothandel, spellingsproblematiek, informatiedistributiesysteem, baarmoederhalskankeronderzoek, zwaarbewolkt (maar: licht bewolkt), hooggeachte (maar: bijzonder geachte). In de laatste twee gevallen speelt naast de klemtoonregel ook frequentie een rol.

Een samenstelling die begint met een eigennaam wordt aaneengeschreven. Voorbeelden: alzheimerpatiënt, andreaskruis, argusogen, Greenwichtijd, Taylorstelsel. Een meerledige naam in een combinatie behoudt eventuele spaties: Jan Pieter Heyestraat, Annie M.G. Schmidthuis. Een uitzondering vormen driedelige samenstellingen waarvan de eerste twee delen een naam vormen; deze krijgen een streepje: Eerste-Kamerlid, Tweede-Kamerzitting, Rode-Kruispost, Heilig-Hartinstituut. Het eerste deel in deze uitzonderingen is een telwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een voornaamwoord.

Woordcombinaties met merknamen krijgen een streepje als het eerste deel het merk aangeeft: Braza-koffie, Philips-apparatuur. (Maar: Philipsfabriek, want de fabriek is niet van het merk Philips!)

Een tweedelige samenstelling met een anderstalig deel wordt aaneengeschreven: afterpil, jazzmuziek, interviewtechniek, jockeypet, jobstudent, successtory, weekendhuwelijk.

Een ingeburgerde Engelstalige samenstelling wordt aaneengeschreven: airbus, bottleneck, coffeeshop, compactdisc, freelance, parttime, peptalk, smalltalk. Maar: in woordcombinaties van een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord komt een spatie als beide woorden een klemtoon kunnen krijgen: black box, candid camera, happy end, heavy metal, top secret. Engelstalige samenstellingen die eindigen op een voorzetsel dat met een klinker begint, krijgen een streepje: drive-in, spin-off, slip-on, lay-out, pull-over, bottom-up (maar: topdown, playback, enz.). Engelstalige driedelige woordgroepen worden geschreven zoals in het Engels: face to face, ups and downs, up-to-date. In een enkel geval komt er een streepje voor de leesbaarheid: all-risk, body-art, eye-opener, music-hall, no-iron.

Een vaste combinatie van drie delen waarvan het eerste deel bij het tweede deel hoort, wordt aaneengeschreven. Voorbeelden: achtertuinpolitiek, artikeltwaalfgemeente, derdewereldland, heteluchtkachel, kortebaanwedstrijd, tienrittenkaart. Een driedelige combinatie met een cijfer krijgt een streepje: 1-meiviering, 11-julispreker. Combinaties op   -ing die zijn afgeleid van driedelige werkwoorden, worden aaneengeschreven: inbezitneming, totstandkoming, teraardebestelling, tewerkstelling.

Een vaste woordcombinatie die eindigt op een werkwoord, wordt aaneengeschreven wanneer de combinatie als eenheid wordt gezien. Voorbeelden: hardlopen (maar: langzaam lopen), ademhalen (maar: water halen), kennismaken (maar: ruimte maken), stofzuigen (maar: lucht zuigen), pianospelen (maar: gitaar spelen), maathouden (maar: orde houden), tekortdoen, tenietdoen, tentoonstellen, terneerliggen, tewerkstellen, maar: in stand houden, te stade komen, ter zijde staan en tot stand komen.

Een voorzetsel of bijwoord vóór een werkwoord wordt alleen aan het werkwoord vast geschreven wanneer die combinatie een aparte betekenis oplevert. Dus: Zou hij zomaar de straat over gaan? Het werkwoord gaan staat hier los, omdat het dezelfde betekenis heeft als in een zin zonder voorzetsel. Maar: Zou hij dit jaar wel overgaan? Immers, overgaan heeft een heel eigen betekenis, die weinig meer te maken heeft met gaan. Andere voorbeelden: een bos in rijden, maar: een auto inrijden; van het dak af vallen, maar: een kilo afvallen; rechts afslaan, maar: rechtsaf gaan; een stap terug doen, maar: iets terugdoen; de gordijnen in jagen; de laan uit sturen; tegen de haren in strijken; van zich af bijten.

Een voorzetsel dat niet bij een werkwoord hoort, wordt verbonden aan het voorafgaande voorzetsel of aan de bijwoorden er, daar, hier en waar. Voorbeelden: achter uitstappen (een voertuig verlaten via de achteruitgang), maar: achteruitstappen (achterwaarts stappen); ik heb het voorstel erdoor gekregen; er bekaaid van afkomen; ik weet niet wat ik ervan moet denken; erdoorheen praten; eronderdoor gaan; eropna houden; eropuit zijn; ertegenaan gaan; ervanaf vliegen; ervandoor gaan; ervanlangs geven; ik piep ertussenuit; ik ga hiertussendoor; zij praten langs elkaar heen; ze gaan daaromheen (ze gaan daarlangs), maar: ze gaan daarom heen (ze vertrekken om die reden); zou de koffie eraan komen?, maar: zou zij er aankomen voor wij er zijn?; wij gaan ervan uit dat...; wij gaan er hier van uit dat... Combinaties van drie voorzetsels en er, daar, hier of waar worden bij voorkeur gesplitst in twee tweetallen: ervan opaan kunnen, eraan onderdoor gaan.

Een voorzetsel wordt verbonden met een voorafgaand voorzetsel of bijwoord wanneer het niet bij een volgend woord hoort. Voorbeelden: het ligt onder in de kast (want in hoort bij de kast), maar: het ligt onderin; zij had haar kind voor op de fiets, maar: zij had haar kind voorop; hij loopt boven langs de richel, maar: hij loopt bovenlangs; zij wonen er in slechte omstandigheden, maar: het zit erin; hij viel er middenin; waarin zit het?

Een vaste woordcombinatie met lidwoord, voorzetsel, voegwoord, bijwoord, enz. wordt aaneengeschreven. Voorbeelden: alsnog, bijvoorbeeld, dankzij, niettegenstaande, omwille, tevoren, zodoende, zichzelf, hetzelfde, maar: des te meer, nog eens, onder meer, zo min (mogelijk), zonder meer. Ook vaste woordcombinaties met één hoofdklemtoon worden aaneengeschreven: binnenstebuiten, bergaf, huppeldepup, potjandorie. Soms is er betekenisverschil: uzelf (help uzelf), maar: u zelf (dat kunt u zelf wel nagaan); tenminste (kom maar langs, als je tenminste zin hebt), maar: ten minste (ten minste houdbaar tot datum op dop); tenslotte (ik help je wel, je bent tenslotte familie), maar: ten slotte (ten slotte kregen alle bezoekers nog een glas champagne).

Een getal in woorden wordt aaneengeschreven. Na duizend volgt een spatie; miljoen, miljard, biljoen, enz. zijn aparte zelfstandige naamwoorden. Deze regel sluit aan bij het puntgebruik in cijferreeksen. Voorbeelden: negenentachtig, tweehonderddertien, drieduizend vijfhonderddrieënnegentig, honderdachtentachtigduizend, dertien miljoen. Rangtelwoorden in woorden worden aaneengeschreven, ook de getallen met miljoen: tweeduizendtwintigste, tweehonderdduizendste, viermiljoenste. De woorden -jaars, -jarig, -maal, -macht,
-rangs
en -tal komen aan het telwoord vast: eerstejaars, tienjarig, zevenmaal, vierdemacht, derderangs, tiental. Het woord maal is echter een apart woord als de rekenkundige bewerking wordt bedoeld: zeven maal zeven. Het woordje half voor telwoorden komt ook aan het telwoord vast: halftien.

In een breukgetal worden teller en noemer aaneengeschreven. Voorbeelden: eenvierde, tweederde, zevenachtste, driekwart miljoen, een tweederde meerderheid, twaalf driekwart (12 3/4), vier vierzevende (4 4/7), tweevijftiende (2/15), twee vijftiende (2 5/10). Als de teller een niet als één wordt uitgesproken, wordt het als apart woord geschreven: twee en een half (of: tweeënhalf), dertien en een kwart.

(met dank aan: Spellingswijzer Onze Taal, 1998)

 

rodekool en witte kool
wie slecht is slacht
libellebil
croquet wordt kroket
de baker baakt
allarm!
hij eett
haring-ontharing
jullie komt

stijlfiguren
een ivoren bruiloft
hebreeuwse kevers